vrijdag, januari 09, 2009

 

herinnering aan lanzarote













herinnering aan lanzarote

nu we in bossen worden gedreven,
bij gebrek aan groen, overleven alleen mannen
met kwartjes, gedrukt op handen zo vereelt
dat hun het zand niet door de vingers glipt.

het was daar, waar het water uit de aarde braakte,
dat ik om wat melk vroeg. de kosten werden
opgespeld in fooien, het glas was koud en
ik zag britse ogen gluren, alle landtongen
staken zich naar mij uit. toch volhardde ik,
slikte toen de aarde juist weer spuwde.

een vulkaan werden wij pas ‘s avonds.
allebei, dat wel, dus ik prees de slok
die jij niet dronk. niet dat het je overtuigde:
je lippen boven de emmer repten van
onze kussen, van uitgewisseld vocht, zeiden
dat ik in plaats van melk beter aspirine had gekocht.

Labels:


donderdag, januari 01, 2009

 

evolutie in zijn achteruit

‘Proof that evolution can go in reverse’, daagde de logische filosofie haar praktiseerders eens uit. Het zou een mooi traktaat kunnen opleveren, dat de lezer door zijn vindingrijkheid verrast. Het zou ook in een fraaie roman kunnen resulteren, die een fictionele evolutie van mens tot prokaryoot geloofwaardig maakt.

Dimitri Verhulst moet gedacht hebben: ‘Die omgekeerde evolutie bewaar ik voor later’. Zijn Godverdomse dagen op een godverdomse bol beschrijft de ontwikkeling van de mens als een transformatie van een bodemvis tot een onethisch, voor God spelend monster. Geen verrassend verhaal, maar de geschiedenis van de mensheid als oude oersoep in nieuwe Vlaamse kommen, met als boodschap dat wij mensen waardeloze wezens zijn.


Het is een boodschap die we door de eeuwen heen vaker hebben gehoord. Dat gegeven heeft Verhulst voor het gemak maar niet meegenomen in zijn versie van de westerse geschiedenis. Zijn mens – die hij consequent ’t noemt – doet niet aan zelfreflectie, en dat maakt hem des te belachelijker als over zijn vroegste uitvindingsdrift wordt gezegd: ‘Met wát komt ’t trouwens nu weer op de proppen? Met potten en pannen en keramiek. Potten en pannen, die ’t godverdomme alle dagen zal hebben af te wassen, maar die tevens maken dat ’t zijn eten kan koken.’ Zulke ridiculariseringen werken voor even op de lachspieren, maar tweehonderd pagina’s cynisme zijn wat teveel van het goede.


Tweehonderd pagina’s voorspelbaarheid trouwens ook. Aan het begin van de roman, als een verre voorvader erin geslaagd is een tent te bouwen, schrijft Verhulst: ‘’t Knabbelt op een schorseneer, zich wentelend in zijn eigen zieligheid.’ Als de mens al als triest wordt afgeschilderd als hij zich een primitieve vorm van bouwkunst heeft eigengemaakt, hoe bekaaid moet hij er dan wel niet vanaf komen als hij vervuilende fabrieken of concentratiekampen bouwt? Al vanaf de prehistorische paringsrituelen die ’t praktiseert, weet de lezer: deze geschiedenis gaat van kwaad tot erger. Verhulsts kritiek op het menselijk handelen wordt daardoor nooit verrassend, laat staan choquerend. Zijn slotsom dat de mens de controle van de goden heeft overgenomen (‘Eindelijk. Meester, van en over alles’) ziet de lezer van godverdoms ver aankomen, al is het maar omdat ze al te vaak werd geproclameerd.


Dat is jammer, zeker omdat Verhulst in dit boek wel degelijk bewijst dat hij verrassen kan. Een mooi voorbeeld vinden we op de helft van de roman, als ’t met aflaten bezig is de kerk rijk te maken. De kathedralen worden rijker en rijker versierd en ‘allen die beweren dat god niet in privébezit geïnteresseerd is’, wacht een bezoekje van de inquisitie. In deze context schrijft Verhulst: ‘De tijd is rijp en hij zal snel weer rotten, maar twee wezens hebben gezien dat het met de planeet de verkeerde kant op gaat.’ De lezer die tijdens de geschiedenisles heeft opgelet en op zijn klompen aanvoelt dat het moment is aangebroken voor de Reformatie, komt bedrogen uit als de ‘twee wezens’ niet Luther en Calvijn blijken te zijn, maar Koning Anthrax (een ironische verwijzing naar het nu) en Pestis Pestis, de bacteriële stichters van de Zwarte Dood. De lezer op het verkeerde been zetten kan Verhulst bést, maar meestal vervalt hij in gemeenplaatsen van basisschoolkennis.


Die gemeenplaatsen weet hij wel boeiend te beschrijven. Sterker nog: op stilistisch vlak is Godverdomse dagen op een godverdomse bol hier en daar bijzonder de moeite waard. Verhulsts omschrijving van de menselijke hersenen als ‘de grote krakende molen van z’n bovenkoker’ bekt geweldig, evenals de zin ‘de kadavers belanden op publieke stapels of verderven roemloos samen in dezelfde krater’. Lijken stapelen zich op ‘gelijk lagen lasagne’ en als zeeman ‘klotst ’t kotsend en schijtend op de schuimende zee’. De poëzie klinkt hier en daar met de bontste alliteraties en assonanties door in Verhulsts proza, wat zijn weinig prikkelende evolutieles in elk geval prettig leesbaar maakt.


Het pleit echter tegen Verhulst dat hij in eerder werk heeft laten zien stilistische virtuositeit met inhoudelijk vuurwerk te kunnen combineren. In romans als Mevrouw Verona daalt de heuvel af en het veelgeprezen De helaasheid der dingen wist hij een ironische schets te geven van het Belgische dorpsleven, die voor de lezer een nieuwe wereld ontsloot. Van zo’n ‘nieuwe wereld’ is in Godverdomse dagen op een godverdomse bol nooit sprake. Wat Verhulst beschrijft, kent de lezer eerder zó goed, dat hij de schrijver op de vingers tikt als deze zijn mens drie eeuwen voor Descartes laat beweren dat twijfel de sleutel is tot ware kennis.


Daarmee valt Verhulst wat door de mand. Met Godverdomse dagen op een godverdomse bol heeft hij een roman afgeleverd die op taalkundig vlak een huzarenstukje is, maar dan wel met laffe ingrediënten. Het valt te vrezen dat de visie op de menselijke evolutie die in dit boek ontvouwen wordt, in de literaire struggle for life weinig selectievoordeel op zal leveren. De filosoof kan echter zijn hart ophalen: de stelling ‘Proof that evolution can go in reverse’ heeft Verhulst aangaande zijn schrijverschap dubbel en dwars bewezen.

Labels:


zaterdag, november 15, 2008

 

volkswagen varken

Ik kom uit een gek gezin.
Tenminste, als het om lezen gaat. Mijn moeder? Libelle, Margriet, streekroman. Mijn broertje? Helemaal niets, behalve pedagogische grammatica's van het Zweeds en Chinees. En mijn vader? Dat is al helemaal een verhaal apart. Doorgaans bladert hij door de Panorama en kijkt daarin voornamelijk plaatjes. Soms leest hij ook het onderschrift bij een foto van Huntelaar of gluurt hij stiekem naar de naam van de rondborstige dame in het midden van het blad. Lijfspreuk: "Ik word zo moe van die lettertjes."

Het gebeurt vaak dat we tijdens het eten over mijn studie Nederlands - en tegenwoordig zelfs literatuurwetenschap - komen te spreken. Van wie zou Jeroen het toch hebben dat hij voor zijn plezier 'Cheops' van Leopold leest (of een willekeurige andere tekst, want de literaire werken in kwestie worden nooit bij name genoemd)? Dan glundert mijn vader: "Dat heeft hij van mij!" En meestal lachen we dan.

Zo ook vandaag. Voor de grap vroeg ik hem of hij twintig Nederlandse auteurs kon noemen. Nee, dat kon hij niet. Mijn moeder pochen: "Ik kan het wel!" Het lukte haar inderdaad. Maar, gekrenkt in zijn eer, merkte mijn vader op dat ze iemand vergeten was: "Je hebt ook nog Bordewijk!"
Ik wist goed hoe hij aan die naam kwam: op de middelbare school had hij Blokken, Knorrende Beesten en Bint gelezen - alle drie als aparte roman op de lijst van tien. Ik had hem echter nooit gevraagd wat hij nu eigenlijk van die boeken vónd, behalve dan dat ze zo lekker dun waren. Vanmiddag waagde ik het erop.

"Wat ik ervan vond? Weet ik veel. Ik weet niet eens waarover ze gaan!"
Ik zeg: "Echt niet? Weet je ook niet meer waar Bint zich bijvoorbeeld afspeelt?"
"Was die niet op een school ofzo?"
"Heel goed! En Knorrende beesten?"
Dat bleek een hersenkraker. Toch kwam het antwoord vrij snel en ad rem:
"Dat gaat zeker over unnen boer?"

Ik dank God op mijn blote knieën - zonder ironie! - voor zo'n vader.

Labels:


donderdag, oktober 23, 2008

 

schoolvriend















schoolvriend

toen we nog jong waren en een stad een appel vonden
met vele vele pitten, spraken we over iets als stappen
en studentenlevens. al dat papier moest ingevuld voor
zaken van belang en bier, we plaatsten cirkels rond
de donderdag en woorden schatten we op waarden
als soos en feut en studiepunt. ik was toen een vreemde,
jij werd van wie ik wens een vroeger mens te zijn.

destijds dronk je nog geen koffie. toen je dat bestelde
zag ik even een volwassen man, deed alsof ik doof was
en je niet vertelde over kots in wasbakken en intussen
van je koekje at. dat je seksmeisjes had met polo’s
van disputen die kreunend kinderen kweekten met de pil
in hun glas, die wijn gorgelden als ze kronkelden.

ik kwam er zelf niet echt aan te pas. mijn zatte verhalen
beperkten zich tot de zesde klas, toen we samen naar huis
fietsten en ik een plastic tas voor een rugzak aanzag.
lachen; het geval “dat weet ik nog”. wat ons verder bond,
was het gebrek niet te weten wat we deden op ons laatste feest.
jij omdat je teveel had gezopen, ik omdat ik niet was geweest.

Labels:


zondag, oktober 19, 2008

 

kredietconversatie











De dialogen in de Albert Heijn worden steeds uitgebreider sinds de banken lopen te kloten. Vandaag:

- Zegt u het maar!
- Doe maar een pakkie Pall Mall van 5 euro.
omdraaien, grissen
- Dat is dan 5 euro alstublieft. Wilt u daar nog koopzegels bij?
- Nee.
pinnende klant
- Bonnetje?
- Nee dank je. Houdoe.
- Fijne avond; tot ziens!
klant naar schuifdeur, draait zich plotseling om
- Doe anders nog maar 6 pakjes.
verbazing, omdraaien, grissen
- Dat is rigoreus!
- Ja kijk, nou, zie je, die banken he... Die crisis. Straks betaalt ik 7,50 per pakje. Dan kan ik nu beter inslaan! Mag ik trouwens bijpinnen?
- Nee helaas, er staat een pinautomaat om de hoek.
- Ja maar dat is ING! Dat vertrouw ik niks!
- Er komt gewoon geld uit hoor!
- Ja, maar laten ze dat geld beter houden!
- Ok, zoals u wilt!
pinnende klant
- Tot ziens!
- Houdoe.

Gelukkig mogen we vanaf morgen Doornroosjes gaan uitdelen...

Labels:


maandag, oktober 13, 2008

 

geen philip freriks












geen philip freriks

vandaag weet ik niet meer van hongarije
dan de grijze vlok en 's weermans hand.
hoe hij een streep trekt van de zee naar vlakbij
polen, hij schimpt het continent met kustlijn
en hotels, het is er mostly cloudy.
op de bank zitten we, zij slaapt zacht weer,
van de meisjes, meisjesvrouwen en vrouwen
die ik min of meer gekend heb.

ogen heb ik voor de rimpels, grijnzende,
hij loopt nu rondom spanje en bestormt
de franse kust. waait het in hem binnen?
is er in zijn brein zo’n sliertgebied?
zulke vragen. of hij nu aan naakte liezen
denkt, of hij als kind gepest is als het regende.
de kale weerman hij die zich verbergt.

als zij wakker is komt die vraag naar de picknick
morgen. ik haal mijn schouders op. zeg haar
dat die man zo afleidde, dat boedapest een hoofdstad is.

Labels:


 

ik kan geen sites bouwen

Nee, ik kan het niet.
Echt niet.

Dus pesten we lekker door en schrijven we hier arrogante, taalneukerige, gymnasiastische stukjes van een jongen die nog volwassen moet worden. Je moet je woordenstroom toch ergens kwijt.

Labels:


zaterdag, mei 24, 2008

 

de oplossing












Zojuist hoorde ik op de radio dat leerlingen haast systematisch een te hoog cijfer krijgen voor hun schoolexamens Latijn en Grieks. Tot die constatering is men gekomen door een vergelijking met de eindexamencijfers, die vele malen lager uitvallen. Er wordt een commissie ingesteld om dit probleem te verhelpen, omdat de geloofwaardigheid van het gymnasium in het geding dreigt te raken. Enkele opmerkingen:

1. De geloofwaardigheid van het gymnasium is al in het geding sinds alle lastige constructies niet meer vertaald hoeven te worden op het examen (kant en klare vertalingen worden in een voetnoot aangegeven).
2. In mijn klas zaten mensen die de stof van 2 gym nog niet onder de knie hadden en het verschil niet zagen (én wisten) tussen een imperfectum en een perfectum. Laat dáár eens een commissie naar kijken!
3. De oplossing is simpel: breid het schoolexamen uit met vertaalwerk en toets niet alleen teksten die mensen al eens eerder zagen of in vertaling tussen de blaadjes van hun woordenboek hebben gestoken. De grootste randdebiel kan nog scoren op iets wat hij in het Nederlands present heeft.

(Een mens blijft zich opwinden.)

Labels:


maandag, mei 19, 2008

 

ce nederlands

Vandaag bogen VWO-leerlingen en havisten zich over het eindexamen Nederlands. Als neerlandicus in wording kon ik het natuurlijk niet laten eens te kijken naar de inhoud van het eindexamen VWO (een gek idee dat het voor mij alweer drie jaar geleden is). Je constateert toch al snel dat er weinig "Nederlands" aan is: eigenlijk toetst het eindexamen veelal dingen waarvoor iemand eigenlijk helemaal niet het vak Nederlands hoeft te volgen. Wie alle lessen op de middelbare school mist en zo nu en dan een fatsoenlijke krant leest, kan dit examen met gemak maken. Dat is bijzonder jammer: waarom geen taalkundige vaardigheden, échte tekstanalyse (retorica bijvoorbeeld), Nederlandse cultuur, letterkunde, spelling, taalgeschiedenis? Alleen de argumentatie-analyse wordt oppervlakkig beschouwd, en dat is verdomd jammer.

Het is wel prijzenswaardig dat de examenmakers dit jaar gekozen hebben voor teksten met enige relevantie in ons vakgebied. De eerste tekst gaat over kunst en politiek, de tweede is van de hand van een filosoof. De keus viel dit jaar tenminste niet op een verdediging van rokers, die in mijn jaar de twijfelachtige eer had van begripsvragen voorzien te worden. Van de tweede tekst moeten de kandidaten een samenvatting maken, in 180 woorden, waarbij de examenmakers de belangrijkste punten als leidraad geven. Een eitje, met als kanttekening dat het bijzonder irritant telwerk oplevert dat een neerlandicus onwaardig is.
De eerste tekst daarentegen is voorzien van verschillende gesloten en open vragen. De eerste drie vragen zijn klassiek: geef aan waar in de tekst een nieuw onderwerp begint. De examenmakers hebben drie tekstdelen op een presenteerblaadje gegeven en de kandidaten moeten opschrijven in welke alinea het betreffende onderwerp begint. Er is, zo las ik, onenigheid over de aanvang van het eerste onderwerp (kritische analyse standpunten en stellingname van de politiek inzake kunst), dat door veel leerlingen is ondergebracht bij alinea 2. Onzinnig, vind ik: in die alinea wordt nog geen enkel standpunt weergegeven, laat staan standpunten.

Klassiek is ook de vraag over het hoofddoel van de tekst. Stel eenvoudigweg vast dat het om een betoog gaat en voilà, daar heb je je doel. De auteur markeert genoeg, dus dit kan niet moeilijk zijn. Vraag 5 gaat over verbanden tussen alinea's en dat is eveneens een te verwachten vraag (het is zeker geen origineel examen), die mij een inkoppertje lijkt. Leer je signaalwoorden en daar heb je het antwoord. Vraag 6 is teleurstellend: de kandidaten wordt gevraagd aan te geven met wat voor redenering zij te doen hebben in “Wanneer het de landbouw of de scheepvaart had betroffen, waren er ongetwijfeld stemmen opgegaan om meer geld in deze sector te pompen, maar hier is het omgekeerde het geval.” Keuzemogelijkheden als 'autoriteit' en 'oorzaak en gevolg' zijn werkelijk waar banaal, en het juiste antwoord ("een vergelijking") had wat mij betreft als "analogie" genoemd mogen worden. Dan is er tenminste nog iets van woordenschat nodig.

Vraag 7 exploreert wederom de kennis van kandidaten over verbanden tussen alinea's en dat is in het licht van de variatie zonde. Vraag 8 heeft te maken met goed lezen en is dus simpel, terwijl vraag 9 vraagt in korte bewoordingen de tekst te reproduceren. Wederom vooral duf telwerk. Vraag 10 en 11 laten wat concepten uit de esthetica de revue passeren (dat het in een eindexamen Nederlands nog eens over het wezen van kunst zou gaan!!) en lijken mij niet te missen voor wie de tekst goed gelezen heeft. Vraag 12 en 13 testen gewoon het begrip van de tekst en van een bepaalde zin, en zijn dus ook niet al te lastig voor een fatsoenlijke lezer.
Vraag 14 is hoogst interessant en heeft veel stof doen opwaaien op verschillende fora. Ze luidt:

“Kunst is het enige wezenlijke dat ons onderscheidt van alle andere levende wezens” is een van de aannames waarmee in alinea 17 en 18 het idee dat kunst goed zou zijn voor mens en samenleving, wordt bestreden. Geef een eigen argument waarmee de aanname dat kunst het enige is dat ons onderscheidt van alle andere levende wezens weerlegd zou kunnen worden.
Gebruik voor je antwoord maximaal 15 woorden.

Kandidaten klagen over de enorme 'vaagheid' van deze vraag, terwijl het er gewoon op aankomt de misplaatste stelligheid van deze zin door te prikken: hoezo is kunst het enige wezenlijke dat de mens onderscheidt van andere levende wezens? Er zijn ook andere dingen die ons onderscheiden, zoals humor, recursiviteit in taal (of zelfs taal in het algemeen), techniek, of voor mijn part gevangeniscomplexen. Niet zo lastig, lijkt mij.

Vraag 15 test voor de zoveelste keer het tekstbegrip: wat is eigenlijk de hoofdgedachte van deze tekst? Die zou je op basis van de eerdere antwoorden al lang moeten weten. De boodschap aan politici - waarnaar vraag 16 vraagt - is ook met speels gemak uit de tekst te distilleren, en op dat punt lijkt de tekst echt uitgekauwd. Het is dan tijd voor twee korte tekstjes over kunst, die vergeleken moeten worden met de hoofdtekst. Dat gedeelte van het examen vind ik altijd wel aardig; zo ook nu. Het blijft echter dood en doodzonde dat het eindexamen zoveel neerkomt op het op hoger abstractieniveau herkauwen van een goed leesbare tekst. De neerlandistiek heeft zoveel meer te bieden... Ik hoop van harte dat het ministerie dat ook eens inziet en de eindtermen van het examen in ere herstelt.

Labels:


zondag, mei 18, 2008

 

de beste van het jaar #20

Twintig is een rond getal. En dus een mooie grens voor een eerste selectie. Volgende week gaan we mijn keuzes totnogtoe maar eens terugbrengen tot vijf, zodat we aan het eind van het jaar handig kunnen stemmen. Maar goed, dat is op de zaken vooruit lopen: eerst maar een nummer dat ik laatst inzong op mijn mobieltje om te horen hoe erg het was. Het resultaat is niet in woorden uit te drukken en het geluidsfragment gewist, dus laten we het bij het origineel van Shot of a gun houden. Hier is... Kane!

Labels:


donderdag, mei 15, 2008

 

urn








urn

we moesten op de knieën
om het jou te vertellen, toen.
in kleine deeltjes drong het door.
doe maar: vergelijk herinnering
met een zeef, dat praat prettig.

nooit te vergeten
hoe je wekenlang opende
wat wij uit angst steeds sloten.
alle kastjes op een kier, deksels
langs een pot, sleutels verstopt,
want de wind kwam overal.

hier viel niets af te dekken.

Labels:


This page is powered by Blogger. Isn't yours?